De belangrijkste aspecten van beleggingen

Een belangrijk aspect van elk beleggingsinstrument is de vergoeding die eraan verbonden is. Denken we maar aan de vaste rente bij obligaties en kasbons, aan het recht op een deelname in de winst bij aandelen, aan het feit dat goud ais dusdanig geen inkomen oplevert enz.

Nochtans mag je je bij je beleggingsbeslissingen zeker niet door dit aspect al­leen laten leiden. Elke beleggingsvorm heeft immers ook een aantal specifieke karakteristieken en de twee aspecten waar je bijzonder op moet letten, zijn de liquiditeit van de belegging en het risico dat aan de belegging verbonden is.

De liquiditeit van beleggen

De eerste vraag die je je in dit verband moet stellen is : “Hoe snel kan ik, als ik dat wens, mijn belegging weer te gelde maken ?” Het antwoord op die vraag is erg belangrijk. Niet alleen omdat de omstandigheden je er op een bepaald ogenblik inderdaad toe zouden kunnen verplichten om je belegging weer van de hand te doen (omdat je dringend geld nodig hebt b.v.), maar ook omdat je op een bepaald ogenblik misschien winst wil nemen op een belegging die je gedaan hebt. Van een depositoboekje geld opnemen gaat snel, een courant aandeel op de beurs verkopen gaat vlot, maar een onroerend goed te gelde maken kan heel wat tijd vergen!

Je moet je echter ook een tweede vraag stellen, die minstens even belangrijk is : “Als ik noodgedwongen vroeger dan voorzien een einde zou gaan maken aan mijn belegging, hoe zeker ben ik er dan van dat dat ook zonder verlies zal kunnen gebeuren ? Een obligatie kan je meestal vóór haar vervaldag wel vlot te gelde maken, maar je bent helemaal niet zeker van de koers waartegen je ze zal kunnen verkopen. Een obligatie kan dus best wel liquide zijn, en als het om een obligatie in euro gaat, kan je ook perfect berekenen wat zij je zal opbrengen wanneer je ze tot haar eindvervaldag houdt, maar niemand kan je vertellen wat je beleggingsresultaat zal zijn wanneer je ze eerder ver­koopt.

Het risico van beleggingen

Aan elke belegging kleeft een zekere graad van risico. Die risicograad kan, zoals bij een depositoboekje b.v., omzeggens nul zijn, maar hij kan, zoals bij een aandeel van een bedrijf met een onzekere toekomst b.v., ook uiterst hoog zijn.

Je hoeft de term ‘risico’ daarbij overigens niet speciaal te zien als de mogelijk­heid dat je het geld van je beleggingen helemaal niet meer terugziet, maar vooral als de kans dat je belegging minder goed uitvalt dan je aanvankelijk ver­wacht had. Dat is b.v. het geval bij een obligatie die je weliswaar een hoge no­minale rente oplevert, maar die in een munt is uitgedrukt die sterk in waarde daalt tegenover de euro.

Risico is dus zeker niet iets dat je ten allen prijze moet vermijden, maar wel iets waar je heel bewust rekening moet mee houden. Zoals we verder zullen zien, komt het erop aan om door een welgekozen spreiding van de beleggin­gen die risico’s te minimaliseren.

De te verwachten opbrengst van een belegging

De opbrengst die je van een belegging mag verwachten, hangt normaal nauw samen met de liquiditeit ervan en met de risicograad die eraan verbonden is.

Hoe minder liquide een belegging is, hoe meer opbrengst je er normaal van mag verwachten.

Geld dat op een zichtrekening staat en waar je elke dag ‘aan kan’, is uiterst li­quide maar geeft je ook maar weinig rente. Geld dat je op een depositoboekje plaatst en dat je in principe telkens voor een halve maand vastzet, levert al heel wat meer op. Een kasbon op vijf jaar zal normaal een hogere rente dra­gen dan een kasbon op drie jaar. En een staatsobligatie, met een looptijd van zeven of acht jaar, zal je nog iets meer opleveren.

Wanneer de rente op korte beleggingen lager is dan de rente op lange beleg­gingen spreekt men overigens van een ‘normale’ rentestructuur. Als het om­gekeerde het geval is, en ook dat kan wel eens gedurende beperkte tijd voor­komen, heeft men het over een ‘omgekeerde’ of een ‘perverse’ rentestructuur.

Hoe groter het risico is dat aan een belegging verbonden is, hoe groter de op­brengst die je er normaal uit zal kunnen halen.

Aandelenbeleggingen kunnen je een hogere opbrengst opleveren dan obliga­tiebeleggingen. Door het aankopen van aandelen word je immers voor een stukje eigenaar van een bedrijf en neem je ook het risico verbonden aan de ac­tiviteit van dat bedrijf. Voor dat risico zal je normaal vergoed worden via een hogere opbrengst dan wanneer je voor een risicoloze of risicoarme belegging had gekozen. De keerzijde van de medaille blijft natuurlijk dat het bedrijf waar­van je aandelen koopt, het slecht kan doen en dat je daardoor uiteindelijk maar een povere opbrengst krijgt.

Dit verband tussen verwachte opbrengst en risico kan je b.v. ook bij obligaties zien. Obligaties die worden uitgegeven door een organisme van prima kwali­teit zullen een lagere rente bieden dan die uitgegeven door een organisme van mindere kwaliteit. Dat laatste dient je immers het risico te vergoeden dat je loopt: het zou immers wel eens niet in staat kunnen zijn om aan zijn verplich­tingen (betalen van de rente en terugbetalen van de hoofdsom) te voldoen. Ook zullen obligaties en deposito’s in zwakke munten je een veel hogere rente geven dan die in sterke munten. De renteverschillen tussen twee munten vin­den nl. meestal hun oorzaak in de inflatieverschillen tussen de verschillende landen. Een hoge inflatie brengt immers ook een hoge rente met zich mee. Maar het verschil in inflatie leidt er ook toe dat een wisselkoersaanpassing zich op de duur opdringt. Wanneer de inflatie in land A hoger is en blijft dan die in land B, dan zal de wisselkoers van de munt van land A moeten dalen tegen­over de munt van land B. Als belegger moet je die hogere nominale rente dan ook in de eerste plaats zien als een vergoeding voor het risico dat die buiten­landse munt in waarde daalt tegenover je eigen munt.

Tenslotte zal de opbrengst die uit een belegging te verwachten valt ook nog beïnvloed worden door de fiscaliteit.

Maar er kunnen ook andere elementen spelen. Denk aan het feit dat je sommi­ge bedragen die je onder bepaalde voorwaarden belegt, van je belastbaar in­komen mag aftrekken, b.v. de sommen die je aan het individueel pensioenspa­ren besteedt en de premies die je voor een levensverzekering betaalt.


Lees meer over Beleggen.