Sicavs en beveks: vrij van roerende voorheffing, maar…

Van uw bankier heeft u het wellicht al meermaals te horen gekregen: met sicavs en beveks heeft u de mogelijkheid om vrij van roerende voorheffing geld te beleggen. Maar zegt uw bankier u ook welke kosten daar wél bij komen?

Fiscale vrijstelling: Sicavs en beveks

Laat ons het principe van die fiscale vrijstelling even toelichten aan de hand van een voorbeeld. Stel dat u 500 euro wil beleggen in obligaties. U heeft dan twee mogelijkheden: ofwel koopt u zélf obligaties voor dat bedrag, ofwel koopt u deelbewijzen van een obligatiesicav of-bevek. Het verschil is duidelijk: belegt u zelf in obligaties, dan moet u elk jaar 15 procent roerende voorheffing betalen op de interest. Koopt de beheerder van de sicav of bevek de obligaties aan, dan betaalt die géén roerende voorheffing op de jaarlijkse coupon. Daardoor ligt het rendement van de bevek hoger dan het rendement dat u zelf zou kunnen behalen met een identieke beleggingsportefeuille.

Maar er is één probleem. Wanneer de fondsbeheerder de ontvangen interesten jaarlijks aan u wil doorstorten, moet u daar alsnog roerende voorheffing op betalen (15 procent als het om een bevek gaat, 25 procent als het een sicav is). Daarmee verdwijnt het fiscale voordeel meteen volledig. Daarom hebben de banken een andere oplossing bedacht. Ze storten de interesten niet jaarlijks door aan de belegger, maar ze beleggen ze opnieuw in andere obligaties. Zo gaan de interesten dus op hun beurt mee interest opbrengen. De interesten worden ‘gekapitaliseerd’, zoals dat heet in financieel jargon.

Voor u als belegger heeft dat het voordeel dat u de inventariswaardevan uw deelbewijzen stelselmatig ziet toenemen. En wenst u op een bepaald moment uw geld terug op te vragen, dan kan u uw deelbewijzen terug verkopen aan de bank. Op dat moment krijgt u uw belegde kapitaal vermeerderd met de gekapitaliseerde interesten belastingvrij uitbetaald. Kortom: kiest u voor een kapitalisatiesicav- of bevek, dan kan u de roerende voorheffing volledig legaal ontwijken. Kiest u daarentegen voor een sicav of bevek die wél een jaarlijkse coupon uitkeert, een zogenaamde uitkeringssicav (want dat bestaat net zo goed), dan betaalt u wél roerende voorheffing.

 

Beurstaks

Het hoeft weinig betoog dat de kapitalisatiesicav’s en beveks de afgelopen jaren een razendsnelle opmars maakten. Dat was een doorn in het oog van de Minister van Financiën, die daardoor een pak belastingen aan zijn neus voorbij zag gaan. Gevolg: tijdens één of andere saneringsoperatie werd besloten de kapitalisatiesicav’s en-beveks op een andere manier extra te belasten. Daartoe werd het principe van de

verhoogde beurstaks ingevoerd. Koopt u deelbewijzen van een kapitalisatiesicav of -bevek dan betaalt u (bovenop de instapkost die de bank aanrekent) een beurstaks van 1 procent. En wanneer u de stukken later terug verkoopt, moet u nogmaals 0,5 procent beurstaks betalen. Koopt u daarentegen een sicav of bevek met couponuitkering, waarmee u de roerende voorheffing zoals gezegd niet kan ontwijken, dan betaalt u slechts de bescheiden beurstaks van 0,14 procent bij aankoop en geen beurstaks bij de verkoop van uw deelbewijzen.

Zodra u een kapitalisatiesicav of -bevek twee jaar bijhoudt, wordt die extra beurstaks in de meeste gevallen gecompenseerd door de uitgespaarde roerende voorheffing. De roerende voorheffing spaart u immers elk jaar uit, terwijl u de beurstaks slechts éénmalig moet betalen. En houdt u de deelbewijzen langer bij, dan begint u echt te profiteren van het fiscale voordeel van de roerende voorheffing. Maar bent u niet van plan uw stukken zo lang bij te houden, dan koopt u beter een sicav of bevek mét couponuitkering. De roerende voorheffing die u moet betalen, ligt dan doorgaans lager dan de verhoogde beurstaks.

Pas wel op: obligaties kopen via een sicav of bevek mag dan al een fiscaal voordeel bieden, er is wel een ander nadeel aan verbonden. Obligatiebeveks hebben immers (meestal) geen vervaldag. En dat wil zeggen dat u ook geen vervaldag heeft waarop het eindkapitaal verzekerd is. U kan uw deelbewijzen natuurlijk op elk moment weer verkopen aan de bank. Maar dat moet u dan doen aan de inventariswaarde van die dag. En die inventariswaardes kunnen als gevolg van de rentebewegingen wel eens schommelen, in beide richtingen. Zo kan u wel eens verlies maken op uw belegging. En dat is niet wat de meeste beleggers van een obligatiebelegging verwachten.

 

Kosten

En dan zijn er nog de bankkosten die u moet neertellen wanneer u uw geld in een sicav of bevek belegt. De commissie die u moet betalen bij de aankoop van uw deelbewijzen schommelt gemiddeld rond 2 a 3 procent van het belegde bedrag. Verder houdt de fondsbeheerder ook elk jaar een beheerscommissie af van het beheerde vermogen. Die ligt bij de meeste fondsen tussen 0,5 en 1 procent per jaar. U merkt dat niet meteen op, maar die beheerscommissie maakt wel dat u een deel van uw rendement kwijt bent aan de beheerder. Telt u al die extra kosten op,

dan komt u wellicht tot de conclusie dat er van de uitgespaarde roerende voorheffing niet meer veel overschiet. Beleggen in sicavs en beveks hoeft u dan ook niet alleen te doen omwille van het fiscaal voordeel. De echte voordelen ervan liggen elders. Zo bieden ze u een mooi gespreide beleggingsportefeuille die professioneel wordt beheerd en waarnaar u geen omkijken heeft. Maar houdt u ervan om wél met uw beleggingen bezig te zijn, dan kan u wellicht even goed zelf uw geld beleggen. Dan betaalt u misschien iets méér roerende voorheffing, maar aan kosten bent u wellicht een stuk minder kwijt.


Lees meer over Beleggingsfondsen.